Kinderkunstendag

Kinderkunstendag: Philip Heylen

logo_KKDPhilip Heylen
Antwerps Schepen voor Cultuur

Dames en Heren,

Nobelprijswinnares Elfride Jelinek beschrijft in haar succesboek ‘De Pianiste’ haar herinnering aan de muziekles als volgt : In de gewijde stilte mochten wij onze tanden niet zetten. Geen broodkruimel, geen vetvlek op de stoelbekleding, kauwgum streng verboden! De kinderen werden gezift of ze geen vuil van buiten meebrachten. De grovere kinderen bleven boven in de zeef hangen en zouden met hun instrument nooit iets bereiken. Ze werden getroost met speelplezier. Het ene fijne kind dat overbleef was ik. Ik werd beloond met de pijn van de perfectie. Ik was niet eenzaam, gelukkig waren er voldoende sadisten om me te helpen…. Jelinek is niet bepaald een vrolijke tante maar helaas is voor velen van mijn generatie dit nog een herkenbare passage: de routineuze balletles, de verplichte pianoles, de dictatuur van de dramaklas…. Omdat het erbij hoorde, omdat het moest, omdat men nu eenmaal niet beter wist.. Omdat men kinderen wilde prangen in de sjablonen van de volwassenenkunst.

Een dag als deze, een KINDERKUNSTENDAG, zou volstrekt overbodig moeten zijn. Het belang van kinderkunsten zou niet verantwoord of bediscussieerd moeten worden, het zou een vanzelfsprekendheid moeten zijn net zoals het vanzelfsprekend zou moeten zijn ook kinderen aan het woord te laten. Maar toch wil ik de uitdaging aannemen om het belang van kinderkunsten ook eens vanuit het beleid te verwoorden.

Vorig jaar werd Bart Peeters geïnterviewd op ATV en vroeg men naar zijn ‘bron’. De ‘bron van creativiteit’. ‘Simpel’, zei hij ‘mijn ouders lieten mij en Stijn doen, ook als we niets aan het doen waren, want wie niets te doen heeft voelt zich vrij en wie vrijheid ervaart komt toch vroeg of laat zichzelf tegen.‘ Dit illustreert perfect wat kinderen nodig hebben: een vrij-plaats, een plek om vrij te zijn zodat ze zichzelf kunnen tegenkomen door te experimenteren met al die ingewikkelde codes uit de wereld en de wereld van de volwassenen.

HETPALEIS is zo’n vrijplaats.

Als ik aan kinderkunsten denk, denk ik als Schepen voor Cultuur uiteraard in de eerste plaats aan HETPALEIS. Niet het Paleis in Brussel uiteraard, hoewel daar tegenwoordig ook veel kinderen rondlopen, maar HETPALEIS hier bij ons in Antwerpen. Zonder protocol en met een grote impact op de cultuursector tout court.

HETPALEIS is op – ondertussen 11 jaar tijd – uitgegroeid tot een speakers’ corner voor kinderen, voor de monarchie van de verbeelding in Antwerpen, en zelfs in Vlaanderen.

Een stad heeft zo’n huis nodig. Een vrijplaats waar de verbeelding zich kan botvieren. Het gaat al lang niet meer over het brengen van een theaterstuk voor een publiek van kinderen. Neen, het gaat over het stimuleren van de verbeelding van kinderen en jongeren wat in een theaterstuk kan uitmonden. En dit op alle mogelijke manieren: passief, actief en interactief. Op een heel directe manier: ‘de acteur en zijn publiek’ en op een crossmediale manier: door het inschakelen van televisie, internet, en andere sociale media zoals zo doeltreffend gerealiseerd in het W@=D@ project.

En over de grenzen heen: de grenzen van het eigen huis (HETPALEIS gaat virtueel) en zelfs de grenzen van de eigen identiteit. Het gaat al lang niet meer over Roodkapje en de Boze Wolf, maar over verhalen die ook toegankelijk zijn voor andere culturen of afkomstig uit andere culturen. Misschien kunnen we zelfs stellen dat HETPALEIS er mee voor zorgt dat de jonge mensen van nu later niet de Boze Wolven voor elkaar zullen zijn.

En tegelijkertijd, om even in de sprookjessfeer te blijven: HETPALEIS is ook een Boswachter, bewaker van kwaliteit, de schrik van alle stropers van de slechte smaak die in het grote Mediabos rondlopen. Deze dubbele visie van vrijbuiter én beschermer is pas echt actief bouwen aan de samenleving van de toekomst. Vanuit de verschillen een nieuwe gemeenschapsgevoel creëren: gemeenschapsvorming heet dat dan, maar let wel, zonder in te boeten op de kwaliteit van de verbeelding. Want daar start alles mee.

Een stad heeft culturele fijnproeverij voor jongeren nodig. Zeker in deze tijd van keuzeverlamming waar jongeren bestookt worden met creatief fastfood, met een overaanbod aan informatie en entertainment, moeten we deze unieke plaatsen van verbeelding koesteren. Weg achter de computer thuis, even de verbeelding de vrije loop laten. Het wordt bijna een uitzondering, maar we moeten oppassen dat het geen voorrecht wordt. We moeten kinderen de weg wijzen in het bos van de informatie en het entertainment, dat in de eerste plaats gericht is op consumeren. Misschien moeten we wel een kwaliteitslabel overwegen voor alle plekken van verbeelding waarvan we denken dat kinderen en jongeren recht op hebben. Wat mij betreft krijgt HETPALEIS dan drie sterren.

Dankzij HETPALEIS, kan en wil Antwerpen het voortouw nemen om de stad van de kinderkunsten te worden, waar de verbeelding aan de macht is. Dankzij HETPALEIS is het kind koning in de kunst en de klant koning in de cultuursector.

Een KINDERKUNSTENDAG zou verplicht moeten worden voor de hele sector. Dan kan men zich allemaal nog even vrij voelen en zo komt elke instelling, elk cultuurhuis zichzelf tegen. Of zoals De Kleine Prins van Saint Exupéry zegt tegen de maan: ‘Moi, je suis libre mais vous, vous ne faîtes que réflecter’.

Kinderkunstendag: Peter Adriaenssens

logo_KKD

Peter Adriaenssens
kinderpsychiater

Toen u het programma voor de KINDERKUNSTENDAG zag, dacht u waarschijnlijk “uiteraard komt aan het slot een psychiater voor de groepstherapie ons uit de collectieve depressie halen van het besef dat we volgend jaar hier terug staan om te zeggen dat kunst voor kinderen belangrijk is en dat er meer budget nodig is.” Want dat lijkt ons lot.

Eigenlijk had het hier stampvol moeten zitten want dat zou het enige oprechte antwoord geweest zijn van het land. Waar zijn ze, die vele ouders die onmiddellijk zullen knikken als je zegt: “Het is belangrijk om aan cultuureducatie te doen voor kinderen.” Waar zijn zij die de argumenten kunnen meelippen maar die er niet voor opkomen?

Waarom moet altijd dezelfde zelfhulpgroep, u hebt er een lidkaart van, samenkomen om datgene te herhalen waarvan wij voortdurend zeggen ‘dat is juist gezegd, ja, maar dat wisten we’. Degenen die het niet weten zitten hier niet. Wat maakt dat we ze niet bereiken? Dat ze niet bereid zijn op de tafel te slaan voor datgene wat het meest elementaire is en wat hun eigen kinderen toekomt?

Hadden we dit nu de Dag van de Viering van de Delinquente Jeugd genoemd dan had het hier vol gezeten. Want voor slecht nieuws worden mensen nog wakker.

Vanuit mijn discipline wil ik mij even aan dit ‘gezeur’ toevoegen. Maar vooral om er op te wijzen dat we vandaag niet meer de vrijheid hebben om hier al te los over na te denken. Heel vaak lijkt het over een emocultuur te gaan. Wij pleiten voor cultuur voor kinderen en ze moeten meer lezen enz. enz. Het lijkt alsof dit emotionele argumenten zijn, het stukje krans dat je toevoegt aan opvoeding. Die vrijheid van denken hebben we vandaag niet meer.

Sinds een paar jaar kijkt de wetenschap ook binnen in schedels en ziet hersenen in activiteit en groei. In het kader van een voorstelling van HETPALEIS over mensen op de vlucht gaf ik hierover een lezing. De aanwezigen waren verrast dat ik beelden toonde over de ontwikkeling van hersenen waarop het zichtbaar is dat gericht stimuleren, dat fijne ervaringen of pijnlijke ervaringen een invloed hebben op de kwaliteit van die ontwikkeling.

Creatief zijn is uiteindelijk datgene wat je aan de buitenkant toont van wat je potentieel binnenin hebt. Ieder kind wordt geboren met een redelijk gelijkaardig potentieel, aangenomen dat je zwanger geweest bent in veilige omstandigheden enz. Dan stel je vast dat dit potentieel niet bij iedereen gelijkwaardig uitgewerkt wordt. Hersenen hebben een bombardement nodig van allerlei prikkels. Niet alleen de klassiek gekende schoolse prikkels. Kinderkunsten staat daar terecht als meervoud.

Een jaar geleden vonden onderzoekers Ides Nicaise en Kris Vandenbranden dat 3/5e van de kinderen in het 5de leerjaar van de Antwerpse centrumscholen op dit ogenblik Nederlands lezen en schrijven op het niveau eind 2de leerjaar. Dat is gewoon hallucinant. Als je dan ziet dat iedereen zich de voorbije weken zorgen maakt over het bericht dat 1 op de 7 jongens geen diploma meer haalt in dit land, dan zijn wij gediplomeerde hypocrieten. We zijn ongelooflijk cynisch aan het worden als zulke onderzoeksgegevens over kinderen op jonge leeftijd ons niet tot actie aanzetten. Actie om te doen wat we kunnen om taal bij kinderen te stimuleren. Dat taalniveau is op latere leeftijd van groot belang voor de participatie en slaagkansen in het secundair onderwijs, laat staan in het hoger onderwijs.

In hetzelfde onderzoek doet men een heel eenvoudige proef. Men geeft een vraagstuk dat in de eerste versie begint met “een auto rijdt aan 67 km/u”. Aan een tweede groep geeft men hetzelfde vraagstuk maar de vraagstelling begint met “een voertuig verplaatst zich aan 67 km/u.” In de tweede versie faalt de helft van de kinderen, niet omdat zij geen wiskunde kunnen want dat is de voor de hand liggende eindconclusie. Wel blijken de bevraagde kinderen niet te weten dat ‘voertuig’ en ‘auto’ synoniemen zijn. Zij blijken niet te weten dat ook een auto zich verplaatst en niet alleen een mens.

Dit niet tot ontwikkeling komen van de nodige taalkennis wordt 12 jaar later omschreven als ‘onvoldoende kennis van de academische taal bij een grote groep kinderen en jongeren om te kunnen participeren aan hoger onderwijs ondanks voldoende intelligentie’.

Als overheid vind je in die vaststelling voldoende redenen om in kinderkunsten te investeren om op die manier taal op alle mogelijke manieren te stimuleren. Zeker vanuit het gegeven dat op jonge leeftijd het taalpotentieel wordt bepaald.

Het gaat dan niet enkel over gesproken taal. Hoe langer hoe meer zien we dat ieders ontwikkeling gevoelig is aan de eerste taal. En niet bij iedereen is de gesproken taal de eerste taal. Elkeen is ook verschillend in aanleg om te dansen, om te schilderen, om te zingen, om te musiceren … al deze varianten in kinderkunsten. Wanneer de eerste taal afgewezen wordt, is het adagio “iedereen moet goed Nederlands spreken en schrijven”. Besef dat een heleboel kinderen nooit tot dat Nederlands zullen evolueren. Want de taal die ze in zich hebben, de taal waarin ze voelen, die een onderdeel vormt van hun competentie, die taal wordt genegeerd. Kinderen moeten dus bloot gesteld worden aan een breed spectrum van talige mogelijkheden. Om die taalontwikkeling aan te moedigen, stimuleert de gemeenschap waarin we leven dat je met theater bezig bent, danst, zingt, schildert enz. en je van daaruit doorgroeit naar een goede kennis van het Nederlands.

Taal is niet enkel belangrijk voor de studiekansen maar ook voor het ontwikkelen van relaties. Het vastpakken en knuffelen van het jonge kind verplaats je progressief door het kind taal te geven. Progressief leer je met een blik, met een teken, met één woord aan te geven ‘ik zie je graag’. Het is de taal die de lijm draagt tussen mensen en net over die verbondenheid maken we ons het meeste zorgen. Sociale cohesie en participatie worden gesteund door op jonge leeftijd elkaar te leren kijken naar het veelvoudige van taal.

Als ik dan de vraag moet beantwoorden ‘bestaat er een objectief bewijs dat kinderen bloot stellen aan theater, aan kinderkunsten ook effectief verschil maakt in kwaliteit?’ Dat is heel vaak de vraag van de overheid, zeker in tijden van besparingen. Het is weinig waarschijnlijk dat we hier harde bewijzen voor vinden want kinderen leven in een context waarin veelvoudige factoren een rol spelen. Iedereen kan in zijn eigen leven elementen lokaliseren en zeggen hoe dat hij of zij in een boek, in een theaterstuk, in een film … thema’s gevonden heeft die niet aanwezig waren in zijn gezin. Een persoon is niet zomaar een product van mama en papa maar ontwikkelt ook principes die daar heel ver af staan. De wortels hiervoor vinden we terug in het belang van kinderen te laten deelnemen aan theater, film, muziek waardoor kinderen gewezen worden op een andere manier van kijken naar het leven. Op de manier van kijken naar hoe er taal gezegd geweest is zonder dat ze gezegd is. Hoe tussen de regels lezen je een wereld leert verkennen die niet meteen de jouwe is en wat kijken vanuit andermans schoenen je leert. Want dan weet je dat pesten verschrikkelijk is. Hoe leer je dat? Niet ieder kind krijgt dit immers aangeboden. Niet iedereen heeft in zijn leven de reserve om te zeggen “ja maar bekijk het ook eens vanuit die hoek”. Dit is net wat theater doet op een manier waaraan je niet kan ontsnappen. Het boek kan je nog dichtklappen, kan je weg leggen. Je kunt zeggen “ik vond het geen goed boek want het deed pijn”. Of “het toonde mij een wereld die ik niet wou”. Maar je hoort vele mensen zeggen “ik vond het in het begin geen goed stuk maar dan heeft er zich een kanteling voor gedaan. Ik had het nooit zo bekeken”. Je zit daar en moet blijven zitten in de groep waardoor je mee getrokken wordt in een andere wereld en vanuit die wereld terug moet kijken naar jouw ontwikkeling.

Laat het duidelijk zijn, het meest schokkende nieuws dat ik de voorbije week vernam is de vele financiële budgettaire inspanningen ten spijt, is dat de voorbije 5, 6 jaren hier in HETPALEIS het budget met zo’n 600.000 euro verminderde. Dan klinken heel wat beloftes toch maar erg hol.

Meestal eindigt het op deze vloer met te zeggen ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Laten we hopen dat we dat mekaar volgend jaar kunnen zeggen.

Ik dank u.

Kinderkunstendag: Jan Vermassen

logo_KKDJan Vermassen
raadgever Minister Joke Schauvliege

Waarde aanwezigen,

Het is een heuglijke dag vandaag. De minister heeft mij gevraagd om een groet van haar uit te brengen op deze eerste KINDERKUNSTENDAG. Proficiat aan HETPALEIS, aan Barbara Wyckmans en de hele equipe met dit initiatief om jaarlijks op 19 november een KINDERKUNSTENDAG te organiseren. De minister is er sterk van overtuigd dat een geconcentreerde dag waarop kinderkunsten overal aanwezig zijn, voldoende kracht kan genereren bij organisatoren en beleidsmakers om op de 364 andere dagen van het jaar aandacht te hebben voor het belang van kinderkunsten in onze maatschappij. Het is dan ook met volle overtuiging dat minister Joke Schauvliege het meterschap heeft aanvaard over deze KINDERKUNSTENDAG.

Kinderkunsten zijn van groot belang voor het verwerven van niet enkel culturele competenties, maar tal van vaardigheden zoals kennisopbouw, experimenteren, gemeenschapsvorming en organisatietalenten. Het zijn deze competenties die zo essentieel zijn bij de uitbouw van een menswaardige, diverse en creatieve samenleving. Iedereen weet ondertussen dat hoe vroeger men start met het zich eigen maken van deze competenties hoe sneller en vooral hoe duurzamer deze worden geadapteerd in het verdere leven. En gelukkig zijn er reeds vele initiatieven die op het terrein meewerken aan deze doelstelling. Denken we maar aan onze kinderkunstencentra, aan HETPALEIS, BRONKS, KOPERGIETERY, aan verschillende kunsteducatieve organisaties zoals Jeugd en Muziek, ABC, de Veerman. Stichting Lezen trekt aan deze kar en start morgen terug met de voorleesweek. En ook het Kinderrechtencommissariaat stelt zijn expertise graag ter beschikking om mee te werken aan een sterk en divers kinderkunstenlandschap in Vlaanderen.

Vandaag is de KINDERKUNSTENDAG geboren. Morgen moet die verder groeien. En volgend jaar als éénjarige zal deze dag zijn eerste stappen zetten naar de rest van Vlaanderen. Want het moet echt de bedoeling zijn om hiervan een landelijk initiatief te maken waarbij kinderen, beleidsmakers en organisatoren de kinderkunsten en de participatie daaraan in de eigen omgeving of daarbuiten in the picture zetten. Een KINDERKUNSTENDAG die zich als een creatief aderwerk verspreidt. Dit is de wens van onze minister.

Nogmaals proficiat met het initiatief!

Ik dank u.

Kinderkunstendag: Gerda Dendooven

logo_KKDGerda Dendooven, auteur
illustratrice en kinderconsul

Toen ikzelf een tijdlang ‘kinderconsul’ was, heb ik besloten om als een soort Jeanne D’Arc te vechten voor het belang van een stevige hap cultuur in de opvoeding.

Want net zoals een dieet van fastfood slecht is voor het lichaam, zo is de eenzijdige fastfoodcultuur – met teveel zachte en zoete en snelle happen – ongezond voor de kop.

En omdat de verse kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen dit ook vindt was hij meteen een goede partij om zijn schouders mee onder dit gedachtegoed te zetten. Cultuur – in de zin van ‘de vorming van de geest’ waarbij high en low in hetzelfde zakje zitten – cultuur dus, is ook voor hem geen luxeproduct. Culturele opvoeding is een basisrecht, onmisbaar om te overleven op een menselijker manier. Het hoeft zelfs niet eens zoveel te kosten, je moet er alleen de noodzaak van willen inzien.

En kan de kunst de wereld redden? Tuurlijk niet, de wereld gaat om zeep met of zonder kunst.

Maar: baat het niet dan zal het ook zeker niet schaden want ik heb nog nooit gehoord dat de kunsten de wereld in de vernieling zouden helpen.

Er zijn veel andere dingen die de wereld om zeep helpen – ik moet ze niet opnoemen -maar niet de kunsten.

Daarentegen is wel geweten dat scheppen en creëren gelukkig maakt, al is het in de winter een sjaal breien. Of een taart bakken.

Bovendien zijn ‘kunstwerken’ de enige overblijfselen van een cultuur.

Herinnert u zich nog wat er in 645 na Christus is gebeurd?

Of in 870?

Ik ook niet. Ons hoofd vergeet heel snel data maar ‘kunstwerken’ houden ons geheugen fris. Neem nu het bestaan van slavernij. Binnenkort zal niemand nog geloven dat dit mogelijk was maar de muziek, de liederen, de prenten die er over zijn gemaakt houden deze geschiedenis levend in ons geheugen.

We zullen misschien ooit vergeten wat Hitler heeft aangericht, maar de films van Leni Riefenstahl, de gedenkmonumenten van kunstenaars in Berlijn doen er ons steeds weer aan denken.

Weet u nog wie het Colosseum in Rome liet bouwen? Neen?

Ik zal het u zeggen, het was Vespasianus in 72 na Christus. Ik heb het opgezocht. Maar dat doet er eigenlijk niet toe, wat telt is dat het gebouw er nog staat. En dat dit Colosseum ons onwaarschijnlijk veel meer heeft geleerd over de condition humaine dan de keizer die in die dagen de dienst uitmaakte met zijn wetten en regels. Dit akelige mastodont staat voor een visie, een samenleving.

Met andere woorden: niet zozeer de politiek schrijft het geheugen van een natie maar de culturele exploten ervan. De gebouwen, schilderijen, de muziek, films, theater- en dansstukken en de boeken…

Oorlogen en veldslagen, koningen en keizers ontvluchten ons geheugen, tenzij ze in artefacten worden vereeuwigd.

Kunstwerken, muziek, boeken… zijn de levende bewijzen van ons historie.

Daarom proberen dictaturen kunstenaars aan banden te leggen: ze weten heel goed dat ze zo de geschiedenis kunnen manipuleren.

Met andere woorden: ons historisch, sociaal en esthetisch geheugen, zelfs ons moreel erfgoed is gebouwd op kunst.

Wie schept, meet zich met de goden, gaat in competitie met de hogere machten, maar toch is kunst maken een positieve kracht. Je schept iets.

Terwijl oorlog een daad vernieling is. Dus als u mij vraagt: kan kunst de wereld redden, zeg ik ‘neen’, maar ook weer wel omdat alles wat met dat scheppen te maken heeft een soort redding van de wereld is. Kunst troost, maakt trots en het koesteren van de kunsten kan je leven verbeteren. Het kan een uitweg zijn uit je ellendige leven. Een manier om je leven zinvol te maken.

Heeft u onlangs So you think you can dance gezien, dat dansconcours, waar een van de finalisten – iemand met een crimineel verleden – door te dansen in de mogelijkheid is, zijn leven opnieuw en anders in handen te nemen. Omdat dansen, de positieve kracht van het scheppen, en de waardering die je daardoor van anderen krijgt je leven en je zelfbeeld positief beïnvloedt.

Mensen in hele moeilijke omstandigheden putten kracht uit verbeelding, en dat is ook een vorm van scheppen, je een nieuw leven verbeelden, troost halen uit zingen, dansen, schilderen, je eigen dromen verbeelden.

Kunst is levensnoodzakelijk net zoals licht en lucht en warmte en gezonde voeding en water.

Daarom kunnen we niet genoeg in de kunsten investeren en ook niet genoeg in het mentaal ondersteunen ervan.

En hoe jonger we eraan beginnen, hoe meer deugd we er van hebben..

Want wat je jong leert enzovoort … leer je voor het leven.

En daar knelt precies het schoentje. Beleidsmakers zien ‘cultuur’ nog te vaak als een luxeartikel voor enkelingen, of als een paradepaardje voor hun beleid maar te weinig als een onmisbaar goed voor een maatschappij. Liever maken ze ‘bedrijfseconomie’ tot een verplicht vak, want economisch inzicht zal beslist het verstand van ons land redden. Jammer dat Darwin dit niet heeft meegemaakt anders had hij wellicht geen tijd verspeeld aan het lezen van poëzie vooraleer hij zijn baanbrekend boek On the origin of species schreef. Ook Herman Van Rompuy had beter iets nuttigs kunnen doen in plaats van zinloze haiku’s neer te pennen.

Economische duiding, daar heeft onze jeugd toch zo’n nood aan, het is een essentieel onderdeel van hun ontwikkeling. Net zoals licht en lucht, goede voeding en een thuis, onderwijs en bescherming, en nog enkele basisrechten die in 1989 ten behoeve van kinderen werden vastgelegd. Helaas denk men er zelden aan om ook een zakje cultuur in dat overlevingspakket te steken. Want er zit al een dikke trui in en boterhammetjes met kaas, een rekenmachientje en een pen om te schrijven. Er zit zelfs een suikerhartje in hun rugzak met I love you op. Allemaal onmisbaar om te overleven.

Kinderen moeten nuttige dingen leren, zoals economisch inzicht in bank en beurs, of autorijles, ze moeten leren aan sport te doen, dat is gezond maar tekenen en muziek … ach waar dient het voor? Het belang van een culturele opvoeding is economisch niet te meten, dus vegen we het snel onder de mat. Zolang we warm zitten en er brood op de plank ligt. Terwijl het net datgene is wat iemand tot mens maakt en waardoor een samenleving een gezicht krijgt.

Maar ook het koesteren van die cultuur is belangrijk, is iets wat we moeten leren, wat we aan onze kinderen moeten doorgeven omdat het zo belangrijk is.

Laat ons –bij wijze van voorbeeld- even bij de boeken stilstaan.

Een tijd geleden was ik in Praag. En omdat ik steeds op zoek ben naar iets wat ik nog niet ken, liep ik ook daar alle boekhandels af. Tot mijn grote vreugde lagen overal torenhoge stapels paperbacks. Vaak de klassieken maar dan wel in massale oplages.

‘Wie leest dit allemaal?’ vroeg ik aan mijn landlady.

‘Wij,’ zei ze, ‘de mensen hier, iedereen eigenlijk. En iedereen kent zijn klassieken. Dat hoort zo. Bovendien zijn boeken voor veel Tsjechen nog steeds een manier om vat te krijgen op hun verdraaide leven, ze bieden troost en laten hen wegdromen in andere werelden.’

Mensen kijken in Tsjechië vreemd op wanneer er geen boeken in de huiskamer staan.

Hier verbaast men zich erover als je geen televisie hebt. Want televisie verruimt je blik op de wereld. Bovendien kan je terwijl je zapt, naar hartelust multitasken– je kan wel vijf hemden strijken, een patatje schillen of je nagels knippen. In tegenstelling tot het lezen van een boek, waarbij je hoogstens in je neus kan peuteren of een glas wijn achterover slaan.

En toch is lezen- zeker als je naar de bibliotheek gaat- een van de goedkoopste passe-temps. Je hebt er niemand voor nodig en je kan het overal doen.

Maar boeken zijn ook lastige vrienden want in een boek moet je alles zelf doen: klank, beeld en geur verzinnen. Niet makkelijk in een fastfoodcultuur waar je slechts op een knop moet drukken en hopla, de tafel wordt meteen gedekt, je hoeft alleen je mond open te doen. Zelfs kauwen is niet nodig.

Dus jong geleerd, enzovoort… en voor wie thuis niet aangespoord wordt om te lezen, of cultuur te leren proeven, is er gelukkig nog de school.

Maar helaas hebben leerkrachten tegenwoordig honderdeneen taken te vervullen en komen ze nauwelijks aan ‘cultuuroverdracht’ toe in de klas, behalve om pedagogische redenen. Ook toekomstige leerkrachten laten het nogal hangen wat het stimuleren van ‘culturele smaakpapillen’ betreft. Want zij weten vaak zelf niet dat er meer is dan Harry Potter of Mega Mindy tenzij ze af en toe naar De Laatste Show kijken.

Een kind kan lang op droog zaad zitten wanneer zijn ouders niet zoveel belang hechten aan lezen of cultuur. Maar als ook de juf of meester verstek laten gaan, wie zal hen dan de liefde voor ‘cultuur’ bijbrengen? De vrienden, de zanger, de acteur, de politieker…?

Je moet al heel sterk zijn om op eigen kracht het plezier van deze dingen te ontdekken.

Trouwens wat het belang van kinderliteratuur betreft is ons landje behoorlijk dubbelzinnig. Iedereen roept dat lezen moet, maar jeugdboeken krijgen nauwelijks airplay in de pers of op televisie. Ooit merkte ik op dat er geen enkele jeugdauteur in Iets met boeken zat, waarop het slachtoffer van dienst, de heer Jan Leyers me domweg antwoordde: ‘Er kijken geen kinderen naar ons programma.’

Juist, ja, hoe kon ik dat nu vergeten!

Maar ik dacht dat volwassenen de boeken kochten, omdat zij de portemonnee hebben, en dat zij uiteindelijk de liefde voor het lezen doorgeven. Trouwens, op een goed boek staat geen leeftijd, of geslacht of een aantal pagina’s.

Maar helaas worden kinderboeken- of kindertheater- nog steeds zo goed als doodgezwegen in top-10 lijsten of bij concours. Want het is maar voor kinderen. Recensenten schrijven er nog zelden over, ze kunnen er te weinig mee scoren. Sommigen bezondigen zich zelfs aan een pedante neerbuigendheid tegenover ‘het genre’.

Enthousiast over boeken of theater vertellen, van jongs af aan, stimuleert de lees- en kijkhonger. En dat moeten in de eerste plaats de ouders doen, maar ook leraars en recensenten. En politiekers, zij kunnen een voorbeeld stellen. Als je pas op je twintigste aangemoedigd wordt om te lezen of om naar theater te gaan, is het meestal al te laat, bovendien heb je dan al heel veel prachtige uren van total loss van de wereld gemist. Het blijkt trouwens uit onderzoeken dat onze taalbeheersing erop achteruit gaat als we niet genoeg lezen of theater zien. Onze woordenschat krimpt, onze verbeelding droogt op, we denken kortzichtiger, en minder kritisch en we blijven maar sudderen in onze dagdagelijkse besognes. Boeken, maar dus ook theater, beeldende kunst, film enzovoort openen de geest, geven hoop, laten je wegdromen en je hebt er weinig voor nodig.

Dus beste beleidsmakers, u moet wat harder uw best doen om cultuur in de brede zin te promoten. U moet uw uiterste best doen om ook kinderen die liefde voor cultuur in het algemeen bij te brengen.

Want wat je jong leert…

Ga dit debat nu eindelijk eens aan. Op school, in de media en daarbuiten. Als wij onze kinderen nu niet de smaak van ‘cultuur’ leren, zullen ze het misschien nooit smaken en dan zijn ze makkelijk voer voor elk soort extremisme.

Iedereen is verbolgen als men fundamentele rechten met de voeten treedt. Of als er geknabbeld wordt aan de vrije meningsuiting. Maar wie niet geleerd heeft om tussen de regels te lezen, zal de boodschap vaak niet begrijpen.

Enfin, het is feest.

Zullen we Pink Floyd draaien, die supergroep uit de seventies?

Zij zongen:

We don’t need no education.

Fijne meezinger,

al is ie ondertussen wel een beetje achterhaald.

Kinderkunstendag: Jan Hoet

logo_KKDJan Hoet, kunstkenner

DE SCHERPE BLIK VAN EEN KIND

Jarenlange ervaring heeft me duidelijk gemaakt dat de relatie tussen kunst en kind niet in enkele woorden of simpele bedenkingen te vangen is, dat ze vele, vaak zelfs tegenstrijdige aspecten bevat.

Met het ouder worden ontstaat een grotere openheid die je doet denken of beseffen dat het beter is om kinderen niet te verplichten naar kunst te kijken of ermee in aanraking te brengen. Je bent veeleer geneigd om naar hen te luisteren en naar hun directe belangstellingspunten te peilen, in plaats van hen zomaar met kunst te overstelpen. Het is verkeerd te denken dat kunst binnen het groeiproces van het kind, bij het vinden van zijn eigen plaats in de wereld, in tijd en ruimte, de centrale factor zou kunnen vormen. Relaties en ontmoetingen met andere kinderen, speelkameraden, buren en kennissen zijn wezenlijk prioritair, confrontaties met uiteenlopende strategieën, handelingen, karakters, belangstellingspunten en bezigheden zijn van essentieel belang voor een kind. Kunstenaars kunnen daar een rol in spelen, maar kinderen doen hoe dan ook ervaring op, of er kunst in het spel is of niet. Ze maken geen onderscheid. Ik meen me te herinneren hoe ik als kind de toenmalige hedendaagse kunstwerken die mijn ouders verzamelden, gewoon onderging. Ik bekeek ze niet als kunst, maar zoals de flora in de tuin of de meubels binnenshuis. Ik verkoos het behangpapuier met de paarden, de koets en het bos boven de kunstwerken. Pas toen we beseften dat we alles, behalve de kunstwerken mochten aanraken of als spelobject binnen onze ervaringswereld konden integreren, ontstond geleidelijk de differentiatie tussen de kunst en de rest van onze leefomgeving.

Daarmee wens ik de betekenis van kunst voor het kind geenszins tot iets secundairs of onbelangrijks te reduceren. Kunst draagt bij tot de creativiteit, daagt uit tot vragen, in het beste geval tot heel kritische en fundamentele vragen, zowel over kunst als over de maatschappij, waarin het opgroeiende kind zijn eigen plaats zoekt. Maar wat hebben dergelijke vaststellingen te maken met de concrete relatie tussen kunst en kind? Ze zijn het voorwerp van theoretisch pedagogische bespiegelingen, maar hebben bijzonder weinig voeling met de wereld van het kind zelf.
Laat ons proberen om de relatie tussen kunst en kind, in de mate van het mogelijke, vanuit een omgekeerd perspectief te benaderen, vanuit de vaardigheden en de mogelijkheden van het kind zelf. Een gebruikelijke opmerking bij het kijken naar hedendaagse kunst luidt: ‘Dat kan een kind ook.’ Wie een dergelijke uitspraak doet, beseft niet hoezeer hij daarmee, onbedoeld, een verlangen aanduidt dat effectief in veel kunstwerken aanwezig is. Zo zei Picasso ooit dat hij er maar acht jaar over gedaan had om te kunnen tekenen zoals Michelangelo, en maar liefst tachtig jaar om opnieuw te kunnen tekenen als een kind. Er bestaat wel degelijk een spanningsveld tussen de natuurlijke expressie van een ongeschoold kind en het bewustzijn van een kunstenaar die – hoe deskundig en getalenteerd hij ook is – weet dat hij er nooit in zal slagen tot die oorspronkelijke staat en die kinderlijke ongedwongenheid terug te keren. Veel kunstenaars die van tijd tot tijd met jonge kinderen werken, zijn verbaasd dat het zo makkelijk gaat. De kinderen doen het gewoon, op een pure, transparante en natuurlijke wijze. Dat heeft deels te maken met het feit dat kunst, hoe complex ze soms ook mag zijn, in essentie en in haar meest uitgepuurde gedaante een simpel spel is, en dat kinderen de vederlichte ernst van dit spel op intuïtieve manier meteen doorhebben. In het volle besef dat het ‘maar’ een spel is, geven ze niettemin de verbeelding vrij baan, en gaan ze er met de grootste ernst volledig in op. Rond hun dertiende, tijdens de puberteit, gaat die belangeloze openheid, ‘onschuld’ en spontane creativiteit definitief verloren. Dan wordt de beoefening en benadering van kunst heel wat complexer.

Met mijn zoon, die me vaak vergezelde wanneer ik tijdens de weekends in het museum was om er gewoon de sfeer op te snuiven of naar de werken te kijken, gebeurde het omgekeerd. Ik herinner me nog hoe hij, terug thuis van een bezoek aan de tentoonstelling van Richard Tuttle, een blad papier nam – ik dacht: hij zal tekenen wat hij gezien heeft, maar hij beschreef het met woorden: “Een streepje in het midden dat eindigt met een krul en daar nog een streepje met een rood puntje op een los velletje papier. Ik hou van Richard Tuttle.”

Dat schreef hij, negen jaar was hij toen. Het leek wel een gedicht, zonder te weten wat een gedicht was.

En zonder te weten wat kunst was.

Wist ik het maar zelf. Intussen deed ik mijn best om het werk van Richard Tuttle te helpen situeren tegen de achtergrond van de minimal art en de Artepovera, zocht ik naar de criteria ervan, wees ik mijn toehoorders op de diepere betekenissen van het kunstwerk als beeldend teken en verlengstuk van de ziel van de kunstenaar en van zijn waarneming. Toen ik de woorden van mijn zoontje las, leerde ik naar het kunstwerk te kijken als naar een gedicht waarin het teken een beweging wordt, een uniek gebaar in de ijle ruimte van het witte blad zoals het danseresje dat met een eenvoudige beweging de hele scène kan vullen.

Hoewel de kunstenaar beseft dat zijn verlangen naar die kinderlijke staat onmogelijk kan vervuld worden, kan hij zich uiteraard wel laten inspireren door het speelse en het frisse karakter van de tekeningen die door kleuters en jongeren gemaakt worden.

Hij kan het ludieke aspect en de zin voor het wonderlijke transponeren naar het eigen werk.

Voor kunstenaars uit de Cobrabeweging, zoals Lucebert en Karel Appel, vormden kindertekeningen rechtstreekse inspiratiebronnen, maar ook als de link minder evident is, is het verlangen naar het directe gebaar, het onmiddellijke omzetten van een observatie of losse gedachte in een lijnenspel of compositie dikwijls bij de kunstenaar en in het werk aanwezig. In die zin kan het in contact brengen van kinderen met kunst uiterst vruchtbaar zijn voor kunstenaars, pedagogen, museummedewerkers, en iedereen die met hedendaagse kunst te maken heeft. Het kan ons in het beste geval aanzetten om al te zware kunsthistorische of theoretische ballast af te gooien, om met een verwonderde, frisse, scherpe blik naar kunst te kijken vanuit het idee van kindertekeningen. Intussen kan het kind met zijn door ons zo benijde ongedwongenheid op een naar speelse wijze zijn eerste stappen te zetten in die grote, complexe wereld van hedendaagse kunst en van onze wereld zelf. Vanuit een dergelijke aanpak is de wisselwerking tussen kunstenaars en kinderen een spannend avontuur waarvan de uitkomst nooit op voorhand vastligt.

En hier denk ik terug aan mijn zoontje van negen. Die, enkele dagen nadat hij het werk van Tuttle beschreef, een blad nam en er een grashalm op kleefde. Een daad waar kunsthistorici, kunstpedagogen en museumdirecteuren wellicht maar al te graag zouden op reageren als de zovelen die het praten van een kind kinderpraat vinden.

Kinderkunstendag: Claudine Van Tieghem

logo_KKDClaudine Van Tieghem
jeugdprogrammator CC Gildhof in Tielt

Meer dan 20 jaar geleden stelde Marianne Van Kerkhoven in Etcetera (1987) dat in het Vlaamse kinder- en jeugdtheater een intense inspanning geleverd werd om, tegen alle obstakels in, volwaardige artistieke producten af te leveren. Eén van de belangrijke problemen was de kloof die er gaapte tussen het volwassenentheater en het Vlaamse kinder- en jeugdtheater.

Op alle niveaus bleek er toen een gebrek aan ernstige belangstelling die samenhing met de maatschappelijke onderwaardering van het kind en van de artiesten die voor kinderen speelden:

- het tekortschieten van de overheid die te weinig middelen ter beschikking stelde met als gevolg de vicieuze cirkel: minder geld, minder kwaliteit dus minder waardering;

- de beperkte belangstelling van vele organisatoren die minder zorg aan de dag legden met betrekking tot artistieke en technische eisen of erger nog schoolvoorstellingen organiseerden om de publiekscijfers op te trekken;

- nogal wat theatermakers zelf durfden hun producties aanbieden aan dumpingprijzen volgens het principe ‘twee avondvoorstellingen betalen, één kindervoorstelling goedkoper of zelfs gratis’;

- heel wat leerkrachten beschouwden het bijwonen van voorstellingen als een leuke afwisseling op de ‘vervelende’ schoolse bezigheden;

Ten slotte stak Marianne Van Kerkhoven ook de hand in eigen boezem door te stellen dat de theaterkritiek het kinder- en jeugdtheater benaderde als een discipline van een lager (intellectueel) niveau.

Vandaag is het kinder- en jeugdtheater, en bij uitbreiding het cultureel en artistiek aanbod voor kinderen en jongeren, volwassen geworden in Vlaanderen.

- Er is een ruime keuze aan gezelschappen die kwalitatieve producties organiseren in eigen huis of aanbieden als reisvoorstellingen. (Vroeger moest de programmator voor het betere werk uitwijken naar Nederlandse gezelschappen, vandaag kunnen wij een degelijk en stevig programma samenstellen uitsluitend met werk uit Vlaanderen;)

- Sinds enkele jaren hebben diverse kinder- en jongerenkunstencentra het licht gezien: denk hierbij aan de KOPERGIETERY, ontstaan uit Eva Bals Speelteater, één van de pioniers van het kinder- en jeugdtheater, BRONKS, ontstaan onder impuls van Oda Van Neygen uit de kinder- en jongerenwerking van de Beursschouwburg, jongerenkunstencentrum Villanella van Marc Verstappen of De Werf in Brugge die een bijzondere plaats geeft aan het jonge publiek binnen zijn globale werking.

- Onder impuls van onze gastvrouw Barbara Wyckmans kreeg het grootste kinder- en jeugdtheatergezelschap in Vlaanderen, vroeger het Koninklijk Jeugdtheater, nu HETPALEIS, een nieuw artistiek elan waarbij kwaliteit en aandacht voor het jonge publiek hand in hand gaan. Het feit dat van hieruit, net zoals vanuit de gespecialiseerde kunstencentra, naast de voorstellingen in eigen huis, ook een rijk scala aan reisvoorstellingen wordt georganiseerd, blijft ontzettend belangrijk voor de programmatoren die een kwalitatief programma willen samenstellen.

- Bijna elke zichzelf respecterende stad heeft zijn eigen festivalletje, soms onder de vorm van een selectie van vernieuwende producties of dikwijls als een staalkaart van het aanbod van het moment met de bedoeling vooral een regionaal publiek aan te spreken.

- De artistieke barrières tussen kinder- en jeugdtheatermakers enerzijds en het volwassenencircuit anderzijds zijn in belangrijke mate weggevallen. De meeste acteurs beschouwen een kindertheaterproductie niet langer als een interessante manier om de agenda’s te vullen, maar engageren zich ten volle.

- De wereld van het kind en die van de kunstenaar die voor het kind creëert hebben veel met elkaar gemeen: hun eindeloze fantasie, creativiteit, enthousiasme en spelplezier. De artistieke behoefte om iets te maken en zij die erin slagen om ons in een ‘andere’ wereld te brengen; die ons hart lichter maken en een glimlach op ons gezicht toveren. Dit verdient onze bijzondere aandacht en waardering.

- Kunsteducatieve organisaties zorgen voor de nodige omkadering om voorstellingen, tentoonstellingen en alle mogelijke kunstvormen te duiden en bevattelijk te maken voor het jonge publiek;

- De overheid heeft sinds de jaren negentig een beleid van ‘positieve’ discriminatie gevoerd ten aanzien van kinder- en jeugdtheatermakers wat onmiskenbaar, naast het vele artistieke talent en de onverdroten inzet van de pioniers, een grote bloei heeft mogelijk gemaakt. Er wordt over geschreven, er is publiek, het wordt onderzocht en erkend als een volwaardige kunstvorm.

- Het jeugdtheater heeft extra budgetten gekregen en heel wat prijzen zijn de revue gepasseerd. Denken we maar aan de Signaalprijs van de toenmalige Fevecc, die als doel had om het jeugdtheater op te waarderen. Steeds goed voor een groots feest waar elke jeugdprogrammator steevast naar uitkeek. Later kwam er een fusie met de Hans Snoeckprijs waarbij de Vlaams-Nederlandse werking een feit werd. De 1000 Watt prijs en het Lichtpunt (=aanmoedigingsprijs) werden geboren. Deze werden in 2005 voor het laatst uitgereikt. Vrij vlug daarna werd de discipline ‘jeugdtheater’ opgenomen bij de prestigieuze Vlaamse Cultuurprijzen. Een eervolle, volwassen (h)erkenning maar hierbij heeft het toch wel wat van zijn bijzondere karakter verloren. Het grote feest, de kers op de taart van weleer is niet meer en dat is een beetje spijtig. Net zoals de sfeer tijdens het jeugdtheaterfestival in Den Bosch indertijd, of Tweetakt daarna, het groepsgevoel, de samenhorigheid, het vechten voor eenzelfde doel is hiermee wat verloren gegaan.

Kortom, het kinder- en jeugdtheater is volwassen geworden, en net daarin schuilt een groot gevaar. Men, en hierbij denk ik vooral aan de beleidsmakers en de subsidiënten, zou wel eens kunnen concluderen dat het geen extra steun en aandacht meer nodig heeft. Anders gezegd, laat ons erover waken het kind niet met het badwater weg te smijten!

Vandaag wil ik u graag enkele argumenten aandragen die een blijvende extra aandacht en steun voor het kinder- en jeugdtheater, en het kunstenaanbod voor het jonge volkje in het algemeen, bepleiten.

Ten eerste: het wordt tot in den treure gezegd, gemeten en vastgesteld in cultuursociologisch onderzoek. Wie op jonge leeftijd de kans krijgt om culturele activiteiten mee te maken in familie-, school- of enig ander verband, wordt later een trouwere cultuurparticipant dan wie hier de kans niet toe krijgt.

Het is onze plicht kunst aan te bieden aan kinderen. Daarom zijn de schoolvoorstellingen ook zo belangrijk; omdat het veruit de enige manier is waarop we alle kinderen kunnen bereiken. Kunst op school zou een evidentie moeten zijn, en als het ook nog zou kunnen, liefst gratis. De maximumfactuur heeft er nu vooral toe geleid dat er een serieuze daling is van de participatie van het basisonderwijs

Ten tweede: de financiële draagkracht van het doelpubliek blijft gering. Door de kwalitatieve verbetering van het aanbod is de kostprijs terecht maar onmiskenbaar gestegen, waardoor de balans tussen uitgaven en ontvangsten voor de organisatoren schever ligt dan ooit.

Een derde bedreiging is volgens mij de verzakelijking van de cultuur- en gemeenschapscentra, de belangrijkste cultuurspreiders in Vlaanderen. De programmator moet zuinig omspringen met het gemeenschapsgeld en moet steeds rekening houden met de balans tussen uitgaven en inkomsten. Dit zou wel eens kunnen leiden tot vervlakking en uitholling van het rijk gevarieerde landschap. Waarom zou je een fragiele voorstelling voor maximum 100 kinderen organiseren, wanneer je voor hetzelfde geld een voorstelling kan plaatsen die de zaal doet vollopen? Waarom dure omkaderende educatieve activiteiten organiseren, wanneer deze weinig of geen effect hebben op de publieksaantallen?

Ten vierde signaleer ik het spook van de mediatisering van het cultuurlandschap. Kort gezegd: producties en acteurs die ruim in de media aan bod komen lokken meer volk. Dit heeft een dubbel effect. Enerzijds komt er meer publiek op dit soort voorstellingen af en anderzijds worden de uitkoopsommen voor deze producties steeds hoger. Zowel gezelschappen, theaterbureau’s als programmatoren zwichten af en toe voor de druk van dit snelle succes. Zolang dit geen negatief effect heeft op de kwaliteit van de voorstellingen is er geen probleem. Maar, deze succesproducties slorpen toch ruimere budgetten op en scoren hoog in de kijkcijferbalans, waardoor jong en fragiel werk veel minder ruimte krijgt. Samen met de verzakelijking is dit geen specifiek probleem voor het kinder- en jeugdtheater, want ook in het avondcircuit tekenen deze tendensen zich af. Toch is deze sector kwetsbaarder voor deze evoluties.

Tot slot stel ik regelmatig vast dat in een wereld van comedy en amusement, showbusiness en vertier, het kwalitatieve cultuur- en kunstenaanbod al gauw bestempeld wordt als elitair of zelfs financieel en dus ook maatschappelijk onverantwoord. Het is echter niet onze taak om de kwalitatieve drempels te verlagen, maar wel om ons onverstoorbaar in te zetten om zo veel mogelijk jong volk te laten kennismaken en genieten van wat hoogstaande cultuur is. Ik pleit er dan ook voor dat alle actoren, het beleid, het onderwijs, de jeugdsector, de cultuurproducenten en de cultuurspreiders voldoende middelen ter beschikking blijven stellen om onze kinderen te bieden wat zij verdienen!

Kinderkunstendag: Geert Sels

logo_KKDGeert Sels, cultuurjournalist De Standaard

Een feit uit het verleden tot startpunt uitroepen. Het doet mij denken aan de hernieuwing van de doopbelofte. Waarom knoopt HETPALEIS aan bij zo’n ver punt in het verleden?

Waarom herhalen we gewoonlijk iets? Meestal omdat de ander het niet goed verstaan heeft. Of om onszelf iets goed in te prenten. Of, toch even terug naar die doopbelofte, omdat we ooit ergens in geloofd hebben en met enig ritueel willen bevestigen dat we daar nog steeds in geloven.

Waarom willen we nu, uitgerekend nu, per se bevestigen dat we geloven in het belang van kinderkunst?

Is dat uit ‘heilige’ overtuiging? Of is het misschien toch uit bezorgdheid?

Het is nog niet zo dwaas om te veronderstellen dat er bezorgdheid is.

We kennen de redenen. Het vrijetijdsaanbod is verveelvoudigd, de populaire cultuur vangt veel aandacht, en in deze tijden van besparingen moeten de keuzes opnieuw scherpgesteld worden. Oei oei, het zou wel eens kunnen dat de kinderkunsten er bekaaid vanaf komen.

Angst maakt filosofen, schreef Heiner Müller. En toch is het in dit geval geen goed kompas. Nog nooit als de voorbije jaren hebben we zoveel inzichten gekregen dat kinderkunst belangrijk is. In tal van resoluties en verdragen is er afgekondigd dat cultuur een mensenrecht is. Wetenschappers hebben opgemeten dat wie van zeer jonge leeftijd van cultuur proeft, 86 % meer kans heeft om dat later ook te doen. Sociologen hebben een link vastgesteld tussen cultuur en democratisch gedrag, tussen cultuur en openheid, tussen cultuur en een sociale opstelling. Daar kan toch niemand tegen zijn? Dat willen we toch?

Er is dus geen reden tot twijfel. Iedereen weet hoe het zit: ouders, scholen, cultuurhuizen, beleidsmensen.

Hoe kunnen we die cultuurovertuiging inkapselen in de toekomst? Ik heb uit het alledaagse leven enkele dingen opgeschreven die mij aangaan en waarvan ik denk dat er nog heel wat werk te verrichten is.

1.Toen we pas een kind hadden, dachten we er goed aan te doen de verwarming heel hoog te zetten. Zo’n kwetsbaar ding. Dat moest je beschermen. Tot de kinderarts eens langskwam in ons subtropisch babyparadijs. ‘Doe gewoon zoals je voor jezelf zou doen’, zei hij. ‘Als jij het warm hebt, heeft je kind dat ook.’ Het is me altijd bijgebleven.

Doe maar gewoon. Ik heb er de laatste jaren aan gedacht toen de cultuurwereld panisch aan cultuurparticipatie begon te doen. Iedereen bij de les proberen te betrekken is een goede zaak. Maar zijn we niet in hetzelfde bedje ziek geraakt als waar Ton Lemaire recent over schreef, in De val van Prometheus, namelijk een opgefokt performant vooruitgangsdenken? Altijd meer, altijd beter, altijd sneller, altijd vroeger. Ik weet dat het goed is om vroeg cultuurimpulsen te geven, maar ik weet niet of we nu zoveel winst boeken door cultuurbewuste foetussen te kweken.

Zouden we, in plaats van enkele hyperbegaafden te creëren, niet beter investeren in groepen die cultuurarm zijn? Was u onlangs, bij die doorlichting van Brussel, ook zo geschokt door de schrijnende toestanden die zich daar voordoen? Hebt u een paar dagen geleden de cijfers van de Kinderrechtencoalitie gelezen, dat 17 % van de kinderen arm is? Zouden we daar niet beter in investeren?

Samengevat: er is nog heel wat werk te leveren om cultuur onder sociale groepen te brengen die daar niet makkelijk toegang toe hebben.

2.Tweede verhaaltje. Onze kinderen hebben ondertussen de leeftijd bereikt waarop zij zelf hun voorkeuren, hun cultuurhelden en hun manieren van cultuurbeleving binnenbrengen. Dat is soms erg verfrissend. Ik leer dingen bij die ik anders nooit zou opgepikt hebben. Maar het is soms ook schrikken. Want ik vind dat Justin Bieber eigenlijk een smurfenstem heeft en dat Rihanna een beetje zaagt. En ik heb hen ook al horen zeggen: ik haat kunst.

Er is dus nog werk.

Maar voor wie? Voor wie is er nog werk?

Ook voor ons, volwassenen. Het is niet mijn ambitie om zó inlevend te worden dat ik een ‘grote vriend’ of een ‘sympathieke gabber’ wordt. Want dat ben ik niet. Ik ben de saaie, oude man. Een rol die ik geamuseerd en met volle overgave op mij neem.

We zijn hier vandaag wel voor de Eerste Kinderkunstendag, maar misschien moet er ook een initiatief komen voor volwassenen. Zodat wij leren waar zij heel goed in zijn. En waar zij in geïnteresseerd zijn. Een soort ‘Eerste Hulp voor Saaie, Oude Volwassenen’.

In Nederland startte het opvoedmagazine ‘J/M voor ouders’ onlangs met de website veiliggamen.nl. Ouders leren niet alleen waar hun kroost mee bezig is, maar ook hoe het moet. Je leert er te begrijpen waar de fun en de aantrekking zit, en een mogelijkheid te vinden om jongeren te leren prikkelen met een medium dat ze cool vinden. Leren doe je toch levenslang, niet?

Samengevat: opvoeden is richting geven, stimuleren en aanreiken. Heel vaak is het eenrichtingsverkeer van de ouders naar de kinderen. Ik denk dat een Kinderkunstendag een belangrijke impuls kan betekenen om daar tweerichtingsverkeer van te maken, en het belang te onderstrepen dat volwassenen blijvend geïnteresseerd zijn in de leefwereld van jongeren en die proberen te begrijpen. Dat kost moeite en vergt een blijvende inspanning. Misschien moeten er ook tools gecreëerd worden om daarbij te helpen.

3.Het derde verhaaltje is eigenlijk hetzelfde als het tweede verhaaltje: onze kinderen hebben ondertussen de leeftijd bereikt… soms erg verfrissend … maar soms ook schrikken….

Ik wil toch snel even nog zeggen, en het is een open deur intrappen – want het gebeurt al – dat ik er enorm in geloof om de cultuurmedia van kinderen en jongeren te benutten. Games is fun. Maar ik geloof enorm in het potentieel van serious games. Ik was onlangs erg gecharmeerd door de release van het game PING, afkorting voor ‘Poverty is not a game’. Tot zover deze kleine voetnoot. Ik wil er maar mee zeggen: het kan soms helpen mee te surfen met media waarmee jongeren vertrouwd zijn en die ze cool vinden, en hen via die weg dat net ietsje meer te geven dan louter entertainment en plezier.

4.Verhaaltje vier speelde zich in dit huis af. Ik kwam met mijn zoontje op drie meter afstand van Dimitri Leue te zitten, de man wiens avonturen van W@=D@ we wekelijks op tv gevolgd hadden. Hij keek naar Dimitri als naar een goddelijke verschijning. Had Dimitri toen gezegd: ‘lees het verzameld werk van Marcel Proust’, hij had het gedaan.

Daar zitten twee lessen in. Er zijn mediakanalen met een onwaarschijnlijke impact en er zijn voortrekkers met charisma.

Televisie blijft een medium met een gigantisch bereik. Het vergt ontzettend veel energie en het is soms ontmoedigend, maar we kunnen maar blijven proberen om er kinderkunst een onderkomen te geven. De impact is overweldigend. Bij de gedrukte media ligt het wat moeilijker. Ook die worden regelmatig aangesproken om meer kinderkunst in de mix op te nemen. Alleen ligt het bereik naar jongeren veel lager dan tv. Gedrukte media moeten alle zeilen bijzetten om jongeren te bereiken. De grootste krant van Japan, de Yomiuri Shimbun, probeert het sinds kort door een mangaversie van haar papieren krant uit te brengen.

Ook de culturele voortrekkers, zoals Dimitri, kunnen grote diensten bewijzen. Velen van hen doen dat al. Ook voor hen is er een opdracht om hun voorbeeldrol blijven waar te nemen; het is zeker dat ze hier en daar een kind op sleeptouw nemen. Aan het educatief project ‘Mooi’ hebben grote schilders meegewerkt. Zopas lees ik in de krant dat Nick Hornby in Groot-Brittannië het ‘Ministerie van verhalen’ gaat openen. Hij gaat daarmee Dave Eggers achterna, die in Amerika een soort piratenwinkel opende waar hij schrijfworkshops geeft. En Roddy Doyle, die in Ierland het voorbije anderhalf jaar 11.000 kinderen zag passeren. Ook Hornby gaat voor een winkel, waar je ‘hoektandenflos’ en ‘mensensnot’ kunt kopen. Prime Minister David Cameron is er zo door gecharmeerd dat hij Downing Street nr 10 een dag ter beschikking stelt.

Minister Schauvliege, u die de Kinderkunstendag een warm hart toedraagt, zorgt u voor het parlement volgend jaar?

Kinderkunstendag: Majo de Saedeleer

logo_KKD

Majo de Saedeleer, directeur Stichting Lezen

Geachte dames en heren,

Ik heb 10 minuten om te praten over iets dat 80 percent van mijn denken, doen en voelen beheerst. Het wordt dus zaak om te kiezen en u iets belangrijks te vertellen.

Komaan dan. Ik ben een leesbevorderaar. Ga gemakkelijk zitten, zet uw bril af, doe desnoods uw schoenen uit. Ik ga u een verhaal voorlezen. Het verhaal ‘De Waterbuffel’ staat in de bundel ‘Verhalen uit een verre voorstad’ van de Australische kunstenaar Shaun Tan, in het Nederlands uitgegeven door Querido.

Toen ik klein was, woonde op het lege stuk grond aan het eind van onze straat, waar al dat gras groeide, dat nooit werd gemaaid, een grote waterbuffel. Hij sliep bijna altijd en negeerde voorbijgangers. Maar als wij bij hem bleven staan en hem om raad vroegen, kwam hij langzaam naar ons toe, tilde zijn linkerhoef op en wees ons letterlijk de juiste weg. Hij zei nooit waarheen hij wees, of hoe ver het was, of wat we moesten doen als we daar eenmaal waren. Eigenlijk zei hij nooit iets, want zo zijn waterbuffels; ze praten niet graag.

Voor de meesten van ons was dit te veel gedoe. Tegen de tijd dat iemand op het idee kwam om ‘de buffel te raadplegen’ was het probleem meestal zo dringend geworden, dat er direct een pasklare oplossing moest komen.

Uiteindelijk gingen we helemaal niet meer naar hem toe en ik denk dat hij niet lang daarna is weggegaan; we zagen alleen nog hoog gras.

Erg jammer dat het zo ging. Want steeds als we zijn spitse hoef volgden, waren we verrast, opgelucht en verrukt over wat we onderweg tegenkwamen. En elke keer zeiden we precies hetzelfde: ‘Hoe kon hij dat nou weten?’

Hebt u van het verhaal genoten? Ik hoop van wel.

Hebt u het helemaal gesnapt? Ik hoop van niet.

Volgens de Nederlandse pedagoog Theo Thijssen, leer je op school ‘lezen, schrijven en nog een paar dingen’. Hij schreef het haast een eeuw geleden en je kan erover twisten of er veel veranderd is, maar in elk geval is van alle kunsten literatuur diegene waarvoor je de breedste basis meekrijgt op school.

Dat is een kracht en een zwakte. Want lezen en leren lezen kan daarmee in een schoolse en didactische context verzanden. Om graag te lezen moet je goed kunnen lezen. Hoewel het leesonderwijs de meest essentiële opdracht van de school is, kan in Vlaanderen en Nederland 15% van de bevolking niet écht goed lezen. Deze mensen heten ‘functioneel analfabeet’. 1 op 7. Dat is véél.

Natuurlijk moet daar wat aan gedaan worden. Maar – zoals Brel zong -: On fait ce qu’on peut, mais il y la manière. Vandaag nog, moeten kinderen tegen de klok lezen om ‘hun leesniveau te laten bepalen’. En dat terwijl de essentie van het lezen ‘traagheid’ is. Echt lezen vraagt immers tijd voor stilhouden, voor reflectie, voor teruggaan en hérlezen. Vandaag nog moeten kinderen met ongeïnspireerde teksten, waarvan vooral woord- en zinslengte téllen, het lezen oefenen.

Wij grijpen tegenwoordig bij Stichting Lezen en het Centrum voor Jeugdliteratuur elke gelegenheid aan om verrassende en inspirerende kinder- en jeugdboeken onder de aandacht te brengen, waarmee leraren óók hun eindtermen kunnen bereiken en hun leerplannen realiseren. Wij willen op die manier de klacht voorkomen dat die aandacht voor boeken nog eens bovenop het werkpakket van zwaarbelaste leraren zou komen. En – ook mooi meegenomen – ze kunnen hun leerlingen boeien, nieuwsgierig maken, prikkelen, inspireren, voeden. Met andere woorden de deuren wijd openzetten voor kunst en kennis.

Mijn kennis van de didactiek is beperkt. En het is lang gelden dat ik zelf voor de klas heb gestaan. Maar ik zie om mij heen mensen die de praktijk van de klas kennen, van de gekleurde klas, de multiculturele en meertalig klas en die ontdekken dat hun beproefde didactiek faalt in deze nieuwe omgeving. Sommigen van hen durven teruggrijpen naar de heel eenvoudige, vergeten methodieken – ik noem ze liever verleidingsmechanismes – en verhalen vertellen, boeken voorlezen, illustraties tonen.

Zeg mij niet dat dat in de praktijk van de overvolle, multiculturele, gekleurde, veeltalige, transit-school niet werkt. Wij hebben in de afgelopen twee jaar een leesproject met Mobiele Leesplekken gelanceerd in de 128 scholen van de Brusselse Rand. En, op nog geen vijfhonderd meter hiervandaan ligt de Antwerpse Stadsschool De Wereldreiziger. Op dit ogenblik zijn er in die basisschool 334 kinderen van 55 nationaliteiten die zo’n 40 verschillende talen spreken. Ze zijn daar niet ruimer behuisd dan in andere scholen, en rijker zijn ze ook niet, maar de leraren benutten er alle mogelijkheden om aan boeken te komen en ze werken nauw samen met de openbare bibliotheek.

Boeken in een groot meubel – dat ze gerecupereerd hebben toen het Museum voor Schone Kunsten de deuren sloot en de zalen moest leegmaken voor restauratiewerken – boeken onder de hand in elke klas, boeken die ze uit de bibliotheek halen of die ze bij elkaar halen met schooien, lenen en kopen. Boeken overal, in soorten en maten, over het een en over het ander, fictie en informatief, prentenboeken en letterboeken, woordenloze boeken, …

Tot zover de school. Maar ook thuis kan er wat gebeuren. Een paar maanden geleden is internationaal onderzoek gepubliceerd door de groep “Research in Social Stratification and Mobility” met als titel “Family, Scholarly Culture and Educational Success: Books and Schooling in 27 nations”. Het gaat om een meerjarig onderzoek dat gecoördineerd werd vanuit de universiteit van Nevada.

Het onderzoek toont het verbluffende, positieve effect aan van de fysieke aanwezigheid van boeken in de nabijheid van kinderen op hun ontwikkelingskansen. De aanwezigheid van boeken thuis blijkt van groter belang dan het opleidingsniveau van de ouders, het Bruto Nationaal Product of het politiek systeem van het land. De aanwezigheid van boeken in huis zou twee keer zo belangrijk zijn als het beroep van de vader en belangrijker dan of een kind in de VS is opgegroeid of in China.

Boeken, jazeker. Maar wat voor boeken?

Er wordt veel gelezen. En kinderen en jongeren lezen méér dan volwassenen. Maar toch maakt het boekenvak een zware tijd door. Uitgevers en auteurs zijn van hun stuk gebracht door de elektronische revolutie. Wie is nog schrijver? Wie is uitgever en wie kan rechten – inkomsten dus – laten gelden en intellectuele eigendom opeisen van het vele dat op het internet gepubliceerd wordt. Komt daarbij dat we leven in een wereld van bestsellers. Er werden vorig jaar in het Nederlandse taalgebied 21.337 nieuwe titels gepubliceerd. Daarvan geraken er maar een beperkt aantal in de boekhandel en krijgen er maar een klein aantal aandacht in de pers. In ons taalgebied spreekt men van maar 60 titels. Al de rest verdwijnt in de slipstream van de bestsellers en bekroonde boeken.

Ik maak me sterk dat het met kinder – en jeugdboeken wel wat beter gesteld is. Maar ook inzake jeugdliteratuur ligt een klein aantal titels op ieders tong. En dat terwijl er zo’n grote nood is aan diversiteit. Er bestaat immers niet zoiets als een gemiddelde kind. Het ene kind gaat – een tijdlang – alleen voor spanning en avontuur. Een ander zoekt romantiek of poëzie misschien. Nog een ander wil kennis, weetjes, puzzels. De een wil meer verrassing, de ander meer herkenning. De een wil wegdromen, de ander wil realiteit en een blik op de grote wereld met persoonlijke en maatschappelijke problemen. Maar allemaal groeien zij – en wij – van fascinatie, verwondering, verrassing, … Daarom! Laten we kinderen (en volwassenen) niet alleen maar geven wat ze vragen. Laten we ze méér geven en proberen om ze te verleiden ook naar andere dingen dan het al bekende te grijpen. Altijd maar meer van hetzelfde houdt arm en dom.

En van arm of dom gesproken. Kinderen zijn niet dom omdat ze geen Nederlands kennen. (Hetzelfde geldt voor volwassenen overigens). Het is niet zo dat je kinderen die geen Nederlands kennen alleen maar didactische oefenstof moet geven. Ook de anderstalige kinderen zullen als we de poorten openzetten en ze aan alle kanten omgeven met boeken (ik zeg boeken, maar ik bedoel net zo goed theater en prenten en beelden en muziek) gefascineerd geraken door iets wat ze niet helemaal vatten maar waar iets of iemand hun hart of hun hoofd raakt met iets waarvan wij de kracht lang niet altijd vatten.

Allemaal, kinderen en volwassenen leven we van verhalen. Daarom komen we naar het theater, daarom praten we met elkaar. Elke spreker weet hoe je verslappende aandacht weer kan pakken: met een verhaal. Daarom kijken we – vloek ik nu in de kerk?– naar soaps en naar de talrijke detectives op televisie, daarom spitsen we onze oren als er een roddel opduikt, daarom vertellen we elkaar moppen. Iets wat zo tot onze verbeelding spreekt blijft niet zonder gevolgen. Laten we kinderen dan ook verhalen vertellen, laten we ze fictie te lezen geven, niet alleen feiten.

En voeg ik er dan aan toe, niet om het even wat. Veel van het beste. Want verhalen – en andere kunstuitingen – zijn niet waardevrij. Maar om daarover uit te weiden, heb ik nóg wel tien minuten nodig. Ik neem even iemand anders woorden in de mond.

Vorige week woensdag verscheen in De Volkskrant een column van de mij onbekende Evelien Tonkens. Zij is, lees ik, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap en in de lopende discussie over wat wel en niet gesubsidieerd moet worden heeft ze behartenswaardige dingen te zeggen. Ik citeer uit haar stuk alleen:

“Goede cultuuruitingen zijn (…) verfijnd. Ze maken niet alleen onze wereld, maar ook onszelf mooier. Ze tonen ambivalentie en meerduidigheid en bieden daarmee weerstand tegen onze neigingen tot simplificatie en stereotypering”. Dat geldt net zo goed voor kinderen als voor volwassenen.

Herinnert u zich de waterbuffel nog? Herkent u hem? Lieve waterbuffels, houd u niet stil. Houd u niet op in het struikgewas. Spreek ook als u niets gevraagd wordt. En vooral, loop niet weg. Geef het niet op. Ik zal het ook niet doen. U bent niet alleen.

Geachte dames en heren,

Ik heb 10 minuten om te praten over iets dat 80 percent van mijn denken, doen en voelen beheerst. Het wordt dus zaak om te kiezen en u iets belangrijks te vertellen.

Komaan dan. Ik ben een leesbevorderaar. Ga gemakkelijk zitten, zet uw bril af, doe desnoods uw schoenen uit. Ik ga u een verhaal voorlezen. Het verhaal ‘De Waterbuffel’ staat in de bundel ‘Verhalen uit een verre voorstad’ van de Australische kunstenaar Shaun Tan, in het Nederlands uitgegeven door Querido.

Toen ik klein was, woonde op het lege stuk grond aan het eind van onze straat, waar al dat gras groeide, dat nooit werd gemaaid, een grote waterbuffel. Hij sliep bijna altijd en negeerde voorbijgangers. Maar als wij bij hem bleven staan en hem om raad vroegen, kwam hij langzaam naar ons toe, tilde zijn linkerhoef op en wees ons letterlijk de juiste weg. Hij zei nooit waarheen hij wees, of hoe ver het was, of wat we moesten doen als we daar eenmaal waren. Eigenlijk zei hij nooit iets, want zo zijn waterbuffels; ze praten niet graag.

Voor de meesten van ons was dit te veel gedoe. Tegen de tijd dat iemand op het idee kwam om ‘de buffel te raadplegen’ was het probleem meestal zo dringend geworden, dat er direct een pasklare oplossing moest komen.

Uiteindelijk gingen we helemaal niet meer naar hem toe en ik denk dat hij niet lang daarna is weggegaan; we zagen alleen nog hoog gras.

Erg jammer dat het zo ging. Want steeds als we zijn spitse hoef volgden, waren we verrast, opgelucht en verrukt over wat we onderweg tegenkwamen. En elke keer zeiden we precies hetzelfde: ‘Hoe kon hij dat nou weten?’

Hebt u van het verhaal genoten? Ik hoop van wel.

Hebt u het helemaal gesnapt? Ik hoop van niet.

Volgens de Nederlandse pedagoog Theo Thijssen, leer je op school ‘lezen, schrijven en nog een paar dingen’. Hij schreef het haast een eeuw geleden en je kan erover twisten of er veel veranderd is, maar in elk geval is van alle kunsten literatuur diegene waarvoor je de breedste basis meekrijgt op school.

Dat is een kracht en een zwakte. Want lezen en leren lezen kan daarmee in een schoolse en didactische context verzanden. Om graag te lezen moet je goed kunnen lezen. Hoewel het leesonderwijs de meest essentiële opdracht van de school is, kan in Vlaanderen en Nederland 15% van de bevolking niet écht goed lezen. Deze mensen heten ‘functioneel analfabeet’. 1 op 7. Dat is véél.

Natuurlijk moet daar wat aan gedaan worden. Maar – zoals Brel zong -: On fait ce qu’on peut, mais il y la manière. Vandaag nog, moeten kinderen tegen de klok lezen om ‘hun leesniveau te laten bepalen’. En dat terwijl de essentie van het lezen ‘traagheid’ is. Echt lezen vraagt immers tijd voor stilhouden, voor reflectie, voor teruggaan en hérlezen. Vandaag nog moeten kinderen met ongeïnspireerde teksten, waarvan vooral woord- en zinslengte téllen, het lezen oefenen.

Wij grijpen tegenwoordig bij Stichting Lezen en het Centrum voor Jeugdliteratuur elke gelegenheid aan om verrassende en inspirerende kinder- en jeugdboeken onder de aandacht te brengen, waarmee leraren óók hun eindtermen kunnen bereiken en hun leerplannen realiseren. Wij willen op die manier de klacht voorkomen dat die aandacht voor boeken nog eens bovenop het werkpakket van zwaarbelaste leraren zou komen. En – ook mooi meegenomen – ze kunnen hun leerlingen boeien, nieuwsgierig maken, prikkelen, inspireren, voeden. Met andere woorden de deuren wijd openzetten voor kunst en kennis.

Mijn kennis van de didactiek is beperkt. En het is lang gelden dat ik zelf voor de klas heb gestaan. Maar ik zie om mij heen mensen die de praktijk van de klas kennen, van de gekleurde klas, de multiculturele en meertalig klas en die ontdekken dat hun beproefde didactiek faalt in deze nieuwe omgeving. Sommigen van hen durven teruggrijpen naar de heel eenvoudige, vergeten methodieken – ik noem ze liever verleidingsmechanismes – en verhalen vertellen, boeken voorlezen, illustraties tonen.

Zeg mij niet dat dat in de praktijk van de overvolle, multiculturele, gekleurde, veeltalige, transit-school niet werkt. Wij hebben in de afgelopen twee jaar een leesproject met Mobiele Leesplekken gelanceerd in de 128 scholen van de Brusselse Rand. En, op nog geen vijfhonderd meter hiervandaan ligt de Antwerpse Stadsschool De Wereldreiziger. Op dit ogenblik zijn er in die basisschool 334 kinderen van 55 nationaliteiten die zo’n 40 verschillende talen spreken. Ze zijn daar niet ruimer behuisd dan in andere scholen, en rijker zijn ze ook niet, maar de leraren benutten er alle mogelijkheden om aan boeken te komen en ze werken nauw samen met de openbare bibliotheek.

Boeken in een groot meubel – dat ze gerecupereerd hebben toen het Museum voor Schone Kunsten de deuren sloot en de zalen moest leegmaken voor restauratiewerken – boeken onder de hand in elke klas, boeken die ze uit de bibliotheek halen of die ze bij elkaar halen met schooien, lenen en kopen. Boeken overal, in soorten en maten, over het een en over het ander, fictie en informatief, prentenboeken en letterboeken, woordenloze boeken, …

Tot zover de school. Maar ook thuis kan er wat gebeuren. Een paar maanden geleden is internationaal onderzoek gepubliceerd door de groep “Research in Social Stratification and Mobility” met als titel “Family, Scholarly Culture and Educational Success: Books and Schooling in 27 nations”. Het gaat om een meerjarig onderzoek dat gecoördineerd werd vanuit de universiteit van Nevada.

Het onderzoek toont het verbluffende, positieve effect aan van de fysieke aanwezigheid van boeken in de nabijheid van kinderen op hun ontwikkelingskansen. De aanwezigheid van boeken thuis blijkt van groter belang dan het opleidingsniveau van de ouders, het Bruto Nationaal Product of het politiek systeem van het land. De aanwezigheid van boeken in huis zou twee keer zo belangrijk zijn als het beroep van de vader en belangrijker dan of een kind in de VS is opgegroeid of in China.

Boeken, jazeker. Maar wat voor boeken?

Er wordt veel gelezen. En kinderen en jongeren lezen méér dan volwassenen. Maar toch maakt het boekenvak een zware tijd door. Uitgevers en auteurs zijn van hun stuk gebracht door de elektronische revolutie. Wie is nog schrijver? Wie is uitgever en wie kan rechten – inkomsten dus – laten gelden en intellectuele eigendom opeisen van het vele dat op het internet gepubliceerd wordt. Komt daarbij dat we leven in een wereld van bestsellers. Er werden vorig jaar in het Nederlandse taalgebied 21.337 nieuwe titels gepubliceerd. Daarvan geraken er maar een beperkt aantal in de boekhandel en krijgen er maar een klein aantal aandacht in de pers. In ons taalgebied spreekt men van maar 60 titels. Al de rest verdwijnt in de slipstream van de bestsellers en bekroonde boeken.

Ik maak me sterk dat het met kinder – en jeugdboeken wel wat beter gesteld is. Maar ook inzake jeugdliteratuur ligt een klein aantal titels op ieders tong. En dat terwijl er zo’n grote nood is aan diversiteit. Er bestaat immers niet zoiets als een gemiddelde kind. Het ene kind gaat – een tijdlang – alleen voor spanning en avontuur. Een ander zoekt romantiek of poëzie misschien. Nog een ander wil kennis, weetjes, puzzels. De een wil meer verrassing, de ander meer herkenning. De een wil wegdromen, de ander wil realiteit en een blik op de grote wereld met persoonlijke en maatschappelijke problemen. Maar allemaal groeien zij – en wij – van fascinatie, verwondering, verrassing, … Daarom! Laten we kinderen (en volwassenen) niet alleen maar geven wat ze vragen. Laten we ze méér geven en proberen om ze te verleiden ook naar andere dingen dan het al bekende te grijpen. Altijd maar meer van hetzelfde houdt arm en dom.

En van arm of dom gesproken. Kinderen zijn niet dom omdat ze geen Nederlands kennen. (Hetzelfde geldt voor volwassenen overigens). Het is niet zo dat je kinderen die geen Nederlands kennen alleen maar didactische oefenstof moet geven. Ook de anderstalige kinderen zullen als we de poorten openzetten en ze aan alle kanten omgeven met boeken (ik zeg boeken, maar ik bedoel net zo goed theater en prenten en beelden en muziek) gefascineerd geraken door iets wat ze niet helemaal vatten maar waar iets of iemand hun hart of hun hoofd raakt met iets waarvan wij de kracht lang niet altijd vatten.

Allemaal, kinderen en volwassenen leven we van verhalen. Daarom komen we naar het theater, daarom praten we met elkaar. Elke spreker weet hoe je verslappende aandacht weer kan pakken: met een verhaal. Daarom kijken we – vloek ik nu in de kerk?– naar soaps en naar de talrijke detectives op televisie, daarom spitsen we onze oren als er een roddel opduikt, daarom vertellen we elkaar moppen. Iets wat zo tot onze verbeelding spreekt blijft niet zonder gevolgen. Laten we kinderen dan ook verhalen vertellen, laten we ze fictie te lezen geven, niet alleen feiten.

En voeg ik er dan aan toe, niet om het even wat. Veel van het beste. Want verhalen – en andere kunstuitingen – zijn niet waardevrij. Maar om daarover uit te weiden, heb ik nóg wel tien minuten nodig. Ik neem even iemand anders woorden in de mond.

Vorige week woensdag verscheen in De Volkskrant een column van de mij onbekende Evelien Tonkens. Zij is, lees ik, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap en in de lopende discussie over wat wel en niet gesubsidieerd moet worden heeft ze behartenswaardige dingen te zeggen. Ik citeer uit haar stuk alleen:

“Goede cultuuruitingen zijn (…) verfijnd. Ze maken niet alleen onze wereld, maar ook onszelf mooier. Ze tonen ambivalentie en meerduidigheid en bieden daarmee weerstand tegen onze neigingen tot simplificatie en stereotypering”. Dat geldt net zo goed voor kinderen als voor volwassenen.

Herinnert u zich de waterbuffel nog? Herkent u hem? Lieve waterbuffels, houd u niet stil. Houd u niet op in het struikgewas. Spreek ook als u niets gevraagd wordt. En vooral, loop niet weg. Geef het niet op. Ik zal het ook niet doen. U bent niet alleen.