Silla Callewaert

Steeds opnieuw een beetje thuiskomen.

Het is precies een jaar geleden. De foyer had al langer zijn geheimen prijsgegeven en ook HETGELUK was bekend terrein, maar de achterbouw – en alles wat zich daar afspeelt – was nog volledig in mysterie gehuld. Na mijn eerste nacht in Antwerpen, mijn eerste ochtend op mijn nieuwe tijdelijke verblijfplaats (kortweg: kot) en mijn eerste rit met de tram, stond ik daar dan.. in de Meistraat. Met klamme handjes trok ik voor het eerst die zijdeur open en stapte ik binnen in een vijftien weken durend avontuur.

Sinds dat moment zijn 365 dagen de revue gepasseerd. En toch zitten heel wat herinneringen aan die dag – en de vijftien weken die daarop zouden volgen – nog verrassend vers in het geheugen. Goede herinneringen koestert men, nietwaar?

Dit lijkt mij dan ook het uitgelezen moment om mijn pen van onder het stof te halen en de blog die ik indertijd als stagiaire gestart ben, nieuw leven in te blazen. Want sinds mijn laatste blogbericht, waarvan ik de datum al niet meer durf opzoeken, is best wel veel veranderd. Van het één op het andere moment hoor je niet langer thuis op de schoolbanken, krijg je een diploma in handen en voor je het weet draai je mee in de mallemolen van de arbeidsmarkt. Loonfiches, woon-werkvergoeding en vakantieregeling inclusief.

Maar wat in al die tijd niet veranderde, is de lonkende magie van de Grote en Kleine zaal van HETPALEIS. En daarom wordt nog steeds te pas en te onpas de oversteek uit Brugge gemaakt om vol verwachting en verlangen het Theaterplein over te steken. Een bezoekje wordt ondertussen naar goede gewoonte voorafgegaan door een tösti en sapje in HETGELUK om dan nadien met evenveel spanning als die kleine ukjes in de foyer het pling plong belletje te horen en af te zakken naar mijn letter van het alfabet voor die avond. Voor Vader, Moeder, Ik en Wij en Kleine Sofie was het in thuisbasis Brugge te doen aangezien de voorstelling en herneming beiden op reis kwamen naar deze West-Vlaamse contreien. Maar voor DODO klein of ei zonder land en DODO groot of land zonder ei was het in HETPALEIS te doen. De auto werd volgeladen met vriendinnen voor wie HETPALEIS nog onbekend was. Onbekend is onbemind dus hoog tijd om hen mee te tronen naar ’t stad! Ronkende namen als Jonas Van Geel, Nico Sturm, Matteo Simoni (“amaaai, die ziet er écht goe uit in ’t echt hé!”), Frank Focketyn en vele anderen konden hen over de streep halen. Dat het om een dubbelproductie van niemand minder dan Dimitri Leue ging, raakte eerder hun koude kleren maar het is hen vergeven. Elke reden om mensen kennis te laten maken met HETPALEIS, valt goed te praten. Want dit was, naast het zelf zoveel mogelijk meepikken van HETPALEISproducties, ook één van mijn voornemens aan de start van het seizoen. Niet iedereen in onzen coté heeft al van HETPALEIS gehoord, zo merk ik steeds opnieuw. Antwerpen blijft voor sommigen een brug te ver. En net daarom lanceerde ik het idee om doorheen het seizoen gestaag maar zeker vrienden in contact te brengen met dit hartverwarmende theaterhuis. Een missie die ik nog steeds ter harte neem waardoor ik ondertussen ook voor  De Tocht van de olifant en de herneming van Door de bomen het bos alweer twee kompanen kan bewijzen en aantonen waarom mijn hart bij kinder- en jeugdtheater ligt.

Met deze dubbelproductie nog vers in het achterhoofd, was het alweer reikhalzend uitkijken naar Sunjata, de leeuwenkoning van Mali. De voorstelling, die ooit nog het levenslicht zag in functie van het al even bejubelde W@=D@-project, is en blijft mijn lieveling. Stiekem is het dan ook hopen dat deze voorstelling om de zoveel jaar hernomen zal worden, want heeft elk kind niet het recht om deze voorstelling in zijn jonge bestaan eens mee te mogen maken? Wulani en Wulantamba hadden me opnieuw van begin tot eind volledig in de ban. En ik durf wedden dat ik niet enkel voor mezelf spreek. Wanneer een kleine uk zo’n vijf rijen achter me in de zaal spontaan Dimitri’s zin “Wij zijn de helden, die de buffel velden. Ziehier de gouden staart …” voor gans de zaal en nog vóór Dimitri zelf tijd had, aanvult met “… Is dat dan geen dochtertje waard?”,  weet ik dat ik niet de enige ben die ondertussen zo goed als volledig de speeltekst uit het hoofd ken.

En nu? Nu is het wachten tot De tocht van de olifant in première gaat om vol spanning te gaan kijken en na al die tijd nog steeds opnieuw een beetje thuis te komen…

Post uit Brugge

kaartjeBrugge

Het zijn barre tijden.

Meimaand Mariamaand? Naar verluidt. Maar niet iedereen maakt diezelfde associatie. Voor prille twintigers als mezelf staat mei nogal vaak synoniem voor den blok. Het begint al medio april. Ruim op voorhand beloof je aan jezelf het dit keer over een andere boeg te gooien. Alsof je geheugen ook een steentje wil bijdragen tot het welslagen van dit voornemen, flitsen spontaan een paar doemscenario’s van een vorige blok/exameneditie door je gedachten. Het is duidelijk dat je, hoe hard je ook probeerde, er niet in geslaagd bent om de herinneringen allemààl uit je memoires te bannen. Tot je grote spijt, want geef toe: veel happy happy joy joy-herinneringen houdt een student daar toch niet aan over hé?

Volledig gevapeuriseerd door deze ongewenste gedachtekronkel, stel je nog steeds ruim op voorhand een schema op. Overijverig dat je – dan nog – bent is die zonder twijfel volledig onhaalbaar en onrealistisch, maar toch blijf je jezelf overtuigen van de haalbaarheid. Nog steeds … ondanks het feit dat je diep vanbinnen weet dat je al na de eerste dag A) een sluitende verklaring zal opdissen om jezelf gerust te stellen over de erbarmelijke vooruitgang omdat het nog maar het begin is en “hé, iedereen moet zich wat opwarmen hé” én dat je na diezelfde eerste dag ook al B) een ingenieus systeem ontwikkeld zal hebben die niet afgewerkte hoofdstukken telkens opnieuw weet te verschuiven ten koste van een ander vak, dit alles onder het mom van “dat zijn zorgen voor later”.
En dat allemaal ruim op voorhand dus geen probleem, want er is nog tijd! Datzelfde zinnetje blijf je jezelf voorhouden doorheen de eerste week van de paasvakantie want – ondertussen toch nog even het uitstelgedrag der student vervloekend – je kunt onmogelijk aan den blok beginnen als er nog taken en groepswerken liggen te wachten. De tweede week begint met een nieuwe dosis courage en volharding,  maar dat smelt al snel als sneeuw voor de zon als laatstgenoemde effectief zijn opwachting maakt. Met het idee dat de boog niet altijd gespannen kan zijn, besluit je je werkterrein van bureau naar tuin te verleggen. Geen strak plan.

En dan is ook die paasvakantie verleden tijd en durf je dat schema zelfs al niet meer te bekijken. De enige oplossing om de gemoederen dan nog een beetje te bedaren, is het opstellen van een nieuw schema.

En dan komt het. Het zwarte gat. Het isolement. De bikkelharde strijd om alle leerstof van de voorbije maanden erin te krijgen. De één doet het al schrijvend. De ander al lezend. En nog een ander zegt alles op. Elk heeft zijn methode gevonden om te absorberen als een spons, hopelijk niet te lekken en op tijd de sluizen volle bak open te zetten. De enige tête-a-tête in dagen is die met je cursus. Balpennen worden kapot geknauwd, met uitzondering van die ene die ongetwijfeld de juiste antwoorden zal geven omdat je met net diezelfde balpen je samenvatting geschreven hebt. Dus die balpen zal alles wel onthouden hebben. Denk je. Hoop je. Noem het bijgeloof, noem het paranoia. Gezond is het alvast niet. De vuilbak naast je bureau zit tijdens de wintereditie vol tissue’s – want je hebt altijd wel een verkoudheid op zo’n weerstand-lage momenten – en tijdens de zomereditie kan je naast je bureau wel een verstevigde fort bouwen met alle lege waterflessen die je ondertussen verzameld hebt. Ernaast een stapel kladpapier die je nauwkeurig bijhoudt om jezelf steeds opnieuw een schouderklopje te geven voor die volle 5 centimeter dat je al gewerkt hebt. Je studieruimte wordt een stort. En je bent er best trots op want het toont dat je een strijd levert. Dat je zodanig op je studies focust dat al het andere maar bijzaak is. Er kan je nadien dus niets verweten worden.

Ik zeg het, het zijn barre tijden…

Het was zondagavond 19u02 als ik op de trein naar Antwerpen stond te wachten die elk moment het station zal binnenrijden. Weinig volk. Chance. Weinig studenten. Vreemd. Het begon pas te dagen toen een goede vriend sms’te: “vanaf 30 mei mag je vollen bak beginnen duimen”. Pas toen viel mijn frank (de grapjassen zeggen nu: ’t is wel eurocent héééé) dat den blok zijn intrede maakt. Dat de examens voor de deur staan en studenten overal te lande achter hun bureau kruipen om de (te) verleidelijke zomertemperaturen te schuwen voor de komende anderhalve maand

En het was pas toen dat ik besefte dat voor mij examens definitief verleden tijd zijn. Als dat geen godzijdank waard is!

(PS, blog-lezers die helaas wel voor deze uitdaging staan: laat je uiteraard niet ontmoedigen door bovenstaande schrijfsels. Veel succes of zoals ze hier in HETPALEIS zouden zeggen: toi toi!)

Omdat een beeld meer zegt dan duizend woorden.

Ik geef het toe. Elke week plichtsbewust en consequent een nieuw bericht op de blog publiceren is duidelijk niet voor mij weggelegd. Het klonk mooi in den beginne. Het leek zelfs een fluitje van een cent, maar gaandeweg heb ik deze gedachtegang toch ietwat moeten bijsturen. Het is nu eenmaal niet zo evident als het lijkt om elke week sappige verhalen op te dissen.

Het is niet dat de voorbije periode geen jota te beleven viel. Maar je kan nu eenmaal niet over àlles bloggen. Hoewel het me opvalt dat in deze web 2.0 tijden er altijd wel mensen zijn die hun ganse laten en doen online zwieren om de al dan niet geïnteresseerde medemens toch maar op de hoogte te houden van het bakproces van de net in de oven geschoven appelcake. Er zat dus niets anders op dan te wachten. Wachten tot de inspiratie daar was. Wachten tot de AHA-Erlebnis zijn intrede zou doen. Wat ik toen nog niet wist, was dat ik eigenlijk gewoon moest wachten tot de première van Door de bomen het bos.

Figurentheater was voor mij volkomen onbekend terrein. Nooit eerder had ik poppen aan het werk gezien en omdat ik weken op rij de evolutie van op de zijlijn had kunnen meevolgen, was ik razend benieuwd naar het eindresultaat. Al vanaf de eerste muzieknoot en de eerste pop die ten tonele verscheen, was ik in volledig in de ban. Het is gewoon onvoorstelbaar hoe die poppen tot leven komen door het spel van de acteurs. Ik zou tot in de puntjes willen vertellen over de voetjes van Marie die stapje voor stapje over het loopbruggetje schuifelen of over het bibberend handje van Toni de facteur wanneer die angstig wegduikt. Maar sommige zaken kan je niet verwoorden of zouden enkel maar hun waarde verliezen als je het nog maar probeert.

Omdat een beeld meer zegt dan duizend woorden: een voorsmaakje van Door de bomen het bos. Maar laat dit voorsmaakje niet het hoofdmenu zijn en kom gewoon eens naar de Grote zaal! Want ik geef het je op een blaadje, het is zonde als je dit moet missen.

Reikende handen en schopjes onder je kont.

Wie sinds mijn vorige post reikhalzend zat uit te kijken naar het wordt vervolgd-gedeelte van mijn queeste, moet ik helaas ietwat teleurstellen. Zoals zo vaak, had ik bij het neerpennen van het vorig bericht de fantasierijke en ambitieuze verbeelding om met een heuse fotoreportage op de proppen te komen. Ik ben wel degelijk erop uit getrokken. Maar ik moest al snel tot de vaststelling komen dat Antwerpen écht wel groot is. En dat ik geen conditie meer heb. Het wordt dus een werk van lange adem, maar ik blijf volharden om ’t stad als een echte local (danku USE-IT) te leren kennen.

Tot zover het ontdekkingsgedeelte. Om het even over een volledig andere boeg te gooien; onlangs kreeg ik een boeiend artikel over HETPALEIS en de eerste editie van de kinderkunstendag te lezen.

“Ze herinnert zich haar eerste theatervoorstelling nog goed. Achttien was ze, en meteen een stuk van Samuel Beckett. ‘Toevallig, dankzij een enthousiaste leerkracht die een ticket over had’, vertelt Barbara Wyckmans. En zo zou het altijd moeten gaan, vindt ze, maar wel graag achttien jaar vroeger: iemand die je helpt om als kind de kunsten te ontdekken. Iemand die je toont dat de deuren van een jeugdtheater of museum net zo opengaan als de poorten van een school, of beter, de deur van je kamer.” Sarah Vankersschaever in De Standaard (19/11/10)

Al vanaf deze eerste paragraaf keerden mijn gedachten terug in de tijd, helemaal terug naar de lagere school. Oude herinneringen kwamen met de nodige porties nostalgie en sentiment bovendrijven. Herinneringen aan meester Joost die, met heel zijn equipe bereidwillige leerkrachten, elke drie jaar samen met de gasten van de derde graad een heuse toneelopvoering in elkaar wist te boksen. Van Molières Vrek over De knecht van twee meesters door Goldoni tot Cervantes’ Don Quichot de la Mancha. En ook al beperkte mijn eigen glansrol zich tot het tonen van een uitermate slecht gechoreografeerd dansje,  het was de tijd van mijn leven en mijn eerste kennismaking met cultuur.

Naarmate de herinneringen dichter bij het heden komen, beland ik opeens in het tweede jaar van de lerarenopleiding. Nieuw dat jaar was het vak Drama. Koen Crul bracht ons met handen en voeten de techniek bij van de clownerie, jabbertalk, improvisatie en duizend-en-één andere technieken waar ik zelf niets van bakte. Best dat inzet en medewerking in de les ook nog punten wisten te scoren, anders was het een hopeloze zaak geweest op het einde van het jaar. Bij wijze van opdracht werd ons ook gevraagd een theatervoorstelling op maat van kinderen bij te wonen. Puur toevallig kwam ik uit bij Wolf!, een productie voor 6+ van het toenmalige Huis aan de Amstel. De voorstelling, gebaseerd op Schaap met laarsjes van Maritgen Matter, is me altijd bijgebleven.

Twee jaar later was de keuze voor Cultuurmanagement dan ook een weloverwogen zaak. En ook daar was opnieuw die reikende hand. Mevrouw Maes trok dapper als een herder met haar schapen van het derde jaar van voorstelling tot voorstelling in het kader van het vak Cultuurforum. De ene voorstelling al meer geslaagd dan de ander en de ene student al meer mopperend dan de ander. Maar steeds opnieuw kregen we iets nieuws te zien.

Dan maak ik de bedenking dat het fijn is dat er zo’n mensen zijn. Die je dat opstapje geven of dat schopje onder je kont. Want aan cultuur doen is toch wel een beetje zoals autorijden. Als je het niet kent, mis je het niet. Maar eenmaal je eerste zelfstandige rit – met of zonder die flaterende L op de achterruit – erop zit , ben je vertrokken en kan je niet meer zonder.

Wa vinde zo van Antwerpen?

Tijd vliegt. Zoveel is zeker. Weken komen en gaan aan een tempo dat nauwelijks bij te houden is. Onlangs vroeg iemand mij “En wa vinde ondertussen van Antwerpen?
Een logische en evidente vraag, geen grootse filosofische antwoorden verwachtende. En toch moest ik het antwoord schuldig blijven.

Uiteraard moet dit enigszins genuanceerd worden en kan ik erbij vermelden dat ik geen volslagen leek (meer) ben. Straten, wijken en zelfs regio’s zijn mij ondertussen al een groot stuk vertrouwd geworden. Inclusief de mensen die dagelijks diezelfde straten en wijken aandoen en ik op den duur op vaste plaatsen dag na dag begin te herkennen. Zoals het meisje met de omafiets en het houten krat vooraan gemonteerd. Of de jonge kerel met de roos-paarse fiets met het veel te lage stuur. Maar Antwerpen is meer dan dat, meer dan enkel die straten en wijken. Met andere woorden; de ontdekking lonkt.

De fiets is nog steeds mijn grootste bondgenoot doorheen dit ontdekkingsavontuur. Maar laat ons stellen dat het avontuur nu ook niet altijd van een leien dakje loopt. Gezwind trappend en lustig om je heen kijkend, durf je wel eens straat in, straat uit te vliegen om plots tot de conclusie te komen dat je geen flauw benul meer hebt van waar je beland bent. Een vapeur is dan wel even op zijn plaats. Nog een geluk dat we elke zomer op kamp verkeerd lopen tijdens tweedaagse – de gave der oriëntatievermogen is niet iedereen gegeven – en ik dus al een gedegen ervaring opgebouwd heb wat betreft dergelijke toch wel ietwat penibele situaties. Hét codewoord is dan zonder twijfel HERKENNINGSPUNTEN. Menig padvinder, Chiropagadder of Scoutslid knikt nu zonder twijfel onbewust doch instemmend het hoofd. Chance dat Anwerpen zo’n herkenbaar Justitiepaleis heeft, anders was ik nu nog toertjes op ’t Zuid aan het rijden.

Conclusie is dat het hoog tijd is om mezelf toch maar wat toeristische allures aan te meten en enkele typische Antwerpse must-see’s en verborgen parels aan te doen. Suggesties van niet te missen plaatsen, bezienswaardigheden en trekpleisters zijn trouwens altijd welkom!

Wordt vervolgd.

En dan weet je wel waarom…

Mijn eerste dagen in Antwerpen was ik aangewezen op de tram als hét transportmiddel bij uitstek. Allemaal goed en wel, maar wanneer je door een korte denkoefening tot de conclusie komt dat je er eigenlijk langer over doet om nog maar tot aan de dichtstbijzijnde halte te wandelen dan die luttele minuut dat je met de tram meereist, is de lol er na enkele dagen wel af. Groot was dan ook de vreugde toen mijn fiets de oversteek uit Brugge goed en wel overleefd had en hier neergestreken was. De ontdekking van Antwerpen per fiets was een feit!

Wat al snel opviel bij mijn collega-fietsers waren de fluojasjes. Bij mijn weten had Walter Van Beirendonck het bij die ene reeks flashy jasjes gehouden en had ik vanuit dat opzicht de laatste trend om de Antwerpse modetrots – wel erg letterlijk – uit te dragen niet gemist. Waarom zag ik dan zoveel fluojasjes? Het zou me in de loop van de week duidelijk worden.

De vrijdag stond volledig in het teken van Prinses Turandot, de sprookjesopera voor onze jongste doelgroep (4+). De repetities zijn volop aan de gang en naar aanleiding hiervan gingen mijn collega’s naar de try-out. En ik mocht mee! Onderweg, al trappend op mijne vélo en me zo een weg banend door het autoverkeer, werd me al snel duidelijk dat assertiviteit hier hét codewoord van de fietser is. Of dat toch moet zijn als je goed en wel je bestemming wil bereiken. Laat ons stellen dat je soms echt wel ogen op je gat moet hebben, zoals we dat in Brugge wel eens in de mond durven nemen. Op zo’n momenten denk je even terug aan de vele fietsers die een fluojasjes aantrekken… en dan weet je wel waarom.

De try-out zelf was ook een ware ervaring. Als je nooit anders gezien hebt dan een afgewerkte voorstelling, decors en kostuums incluis, dan is een try-out een heuse beleving. Je krijgt echt een creatieproces te zien waar regisseurs, acteurs, zangers en muzikanten zich ten volle kunnen geven in het talent dat ze hebben. Meer dan bij een afgewerkte voorstelling besef je dat dit het artistieke werk is van mensen. En dat overviel me wel.
Inhoudelijk was het natuurlijk ook puik werk. Ik moet zelfs bekennen dat er af en toe sprake was van een kippenvelmoment. Zo nu en dan zie je ook die kleutertjes helemaal opgaan in het verhaal en meeleven met de personages. Dan denk je even terug aan alle mensen die zo ijveren en opkomen voor (kinder)kunsten en cultuur. En dan weet je wel waarom.

Idem met Danske, waarvan ik gisteren een schoolvoorstelling kon bijwonen. Wanneer kleuters spontaan op het ritme van de muziek beginnen mee te klappen en tijdens een stil moment allemaal eventjes hun adem lijken in te houden, dan denk je even terug aan de reden waarom je ooit fan geworden bent van HETPALEIS en de voorstellingen van dit huis. En dan weet je wel waarom…

“En Silla, komt dat paleis al in zicht?”

Daar sta je dan. Examens achter de rug. Taken achter de rug. Drie jaar opleiding achter de rug. Maar toch nog niet helemaal afgestudeerd. Want eerst moet je nog stage lopen, in opleidingsprogramma’s ook wel omschreven als de kers op de taart. Vijftien weken meedraaien in een organisatie om het klappen van de zweep te leren kennen. Om je voor te bereiden op de arbeidsmarkt, om het ritme van een werkweek aan te voelen, om verantwoordelijkheden op te nemen. En bovenal om de theorie in praktijk om te zetten.

Exact een jaar geleden werd de stageprocedure voor ons, afstuderende cultuurmanagers aan de KHBO (Katholieke Hogeschool Brugge Oostende), opgestart. Wat onschuldig begon met een infosessie – uiteraard spanning alom om te horen hoe het onze voorgangers vergaan was – werd al meer ernst toen de gesprekkenronde eraan kwam. En dan zijn ook die gesprekken achter de rug en richt je al je concentratie op de allerlaatste examenperiode. En voor je het weet, zijn ook de examens verleden tijd en dan is het zover. De grote sprong in het onbekende. De tocht naar Antwerpen en de eerste stagedag.

De vraag die velen zich dan stellen, is wat een Brugse studente in Antwerpen en meerbepaald HETPALEIS te zoeken heeft? Het antwoord is eigenlijk best simpel; eenmaal je gesmolten bent voor jeugdtheater is geen stad te ver. En zeker niet als die stad een theaterhuis als HETPALEIS herbergt. De magie van de Grote zaal lonkte, dus was het al snel een uitgemaakte zaak.

Al vanaf de eerste stagedag werd me duidelijk dat HETPALEIS veel meer te bieden heeft dan enkel die Grote zaal. Eenmaal je het gereserveerde zitje ingepalmd hebt om te genieten van het spektakel dat op je afgevuurd wordt, sta je niet stil bij de organisatie die gepaard gaat met zo’n voorstelling. Mijn tweede week in HETPALEIS zit er bijna op en ik heb al talloze keren mijn ogen de kost kunnen geven. Dat belooft voor de weken die nog volgen!